UA-105762165-1

 


Toneel en film op Rolduc


 In maart 1950 werd de tragedie Athalia van Racine opgevoerd; Tagage maakte daar filmopnamen van; u kunt de informatie vinden in het jaarboek 1950. 

Hier aandacht voor de uitvoering maart 1950 op Rolduc IV. Een zeer zeldzame opname rond de opvoering van het toneelstuk Athalia uit 1691 van Jean Racine te Rolduc in maart 1950; de film is gemaakt door de leraar Tagage; direct in beeld komt Joash de kleinzoon van Athalia die uiteindelijk tot koning gekroond zal worden; de spelers stellen zich eerst voor en vervolgens komen allerlei scenes in beeld; naarmate men de film vaker ziet en het toneelspel van Racine kent, ziet men steeds meer; Tagage moest het doen met de middelen die hij had, hij doet dat knap; men krijgt een goede indruk hoe er toneel gemaakt werd te Rolduc; Pothast heeft in de negentiende eeuw Athalia ook op muziek gezet; ook toen is het uitgevoerd; destijds zal de uitvoering zeker in het Frans hebben plaatsgevonden; betreffende de uitvoering van 1950 weet ik het nog niet ook al sprak men Frans op Rolduc; de door mij toegevoegde muziek is van Faure..Cantique de Jean Racine ..uit 1865. Het oorspronkelijke geluid van de film is nog niet bekend.




Wat meer achtergrond:


















Uit het jaarboek van 1950:

Athalia, het meesterwerk van de Franse dichter Jean Racine, is voor de eerste maal opgevoerd in het jaar 1691 door de pensionnaires van Saint Cyr, een kostschool, waarvan Madame de Maintenon directrice was en is een van de hoogtepunten van de Franse letterkunde.

De geschiedenis speelt zich af rondom de jonge, ongekroonde koning van Juda, Joas, die door de godgevallige Hogepriester en zijn vrouw Josabeth tegen de boze plannen van Athalia beschermd wordt. Het gegeven heeft Racine ontleend aan de Bijbel, ( 11 Kon. 11); in de vijf bedrijven die hij ter beschikking had, heeft hij op meesterlijke wijze de handeling logisch en vlot doen verlopen, en wel zó, dat het toneelstuk, begint bij hèt hoogtepunt van de moeilijkheden tussen de antagonist, Joad, en de protagoniste, Athalia. Men kan zeggen, dat vanaf het eerste bedrijf de kwestie rechtstreeks bezig is zijn ontknoping te vinden, en naarmate we verder komen, de handeling zich des te sneller voltrekt, totdat ze in het laatste bedrijf in adembenemende vaart als het ware uitloopt in een apotheose, zó victorieus en zó volkomen, dat de toe schouwer diep onder de indruk en met een blij gestemd hart de zaal verlaat. De opvoering die de leerlingen van Rolduc gaven van dit drama, beantwoordde geheel en al aan deze indruk. Laat ze nog veel van "school toneel" gehad hebben, en laat sommige min of meer belangrijke onderdelen niet tot in de hoogste perfectie zijn uitgevoerd, ze is een bevredigend succes geworden. Zowel het waardige decor als de effectieve samenwerking tussen acteurs, zangers en orkestleden hebben van deze avond een zeer instructieve avond gemaakt, en men kan het slechts jammer vinden, dat zo weinigen dit hebben mogen meemaken.  Bij het nader beschouwen van de details is het ons allereerst opgevallen, dat het grote bezwaar voor Rolduc van dit stuk: de vertolking van de vrouwelijke rollen door mannen, volkomen geëlimineerd was door de juiste keuze van de spelers, wier stem wonderlijk goed overeen bleek te komen met het karakter dat ze uitbeelden. Hierbij doelen wij vooral op de figuur van Athalia zelf, die ondanks de vrij mannelijke stem van de speler, de natuurlijke weergave van het karakter geen enkele keer schade leed. Hetzelfde goeds dient gezegd te worden van de vertolker van Joas, die zijn rol op kinderlijk eenvoudige en toch koninklijke wijze speelde. Het spel van de Hogepriester en van enkele bijrollen kon ons een enkele maal niet bevredigen door een zekere slapheid van optreden en een tekort aan temperament bij het spreken. Daartegenover moeten echter momenten als de in extase uitgesproken profetie van Joas (einde derde bedrijf) en het optreden van Abner in het vijfde bedrijf als schitterende hoogtepunten aangemerkt worden. Bijzondere lof komt de regie toe voor de majestueuze enscenering van het slottafereel - de huldiging van de
nieuwe, wettige koning Joas, een heerlijke apotheose, waarin zowel de overwinning der
dienaren Gods als de vernietiging van de afvalligen en misdadigers het stuk waardig en
bevredigend deden eindigen. De reizangen, uitgevoerd door het Rolducse Koor met Orkestbegeleiding, vulden tekst en handeling op hermetische wijze aan. De moeilijkheid bestond hier uit de solozangertjes, die vaak zodanig door het orkest overstemd werden, dat ze in de zaal moeilijk te horen waren.
Regisseur, Koor- en Orkestleider, acteurs, zangers en musici, en niet te vergeten grimeurs, decorateurs en toneeltechnici hebben eer gehad van het werk dat ze gedurende zoveel weken van intensieve voorbereiding verricht hebben. Ondanks het feit, dat ongeveer honderddertig jongens op het toneel of achter de coulissen waren, was de zaal geheel gevuld door vele belangstellenden van buiten Rolduc, O.a. Mgr. Dr. Hanssen, de beide secretarissen vanhet Bisdom, Mr. Lempers, burgemeester van Kerkrade, en vele oud~leerlingen die zelf ooit een rol gespeeld hebben in opvoeringen van dit stuk op Rolduc. De blijde stemming van voldaanheid na de opvoering kon nog slechts verhoogd worden door een eloquente toespraak van de Coadjutor met aan het slot natuurlijk de traditionele vrije middag voor de volgende dag.

WIM ENGELEN,





Over van Deyssel wat voorheen op de pagina stond.



Lodewijk van Deyssel [Rolduc 1875-1878] de schrijver van De Kleine Republiek,  heeft allerlei kattenkwaad uitgehaald tijdens zijn Rolducse periode: onder andere heeft hij herhaaldelijk de sleutels weggenomen van de slachterij, van de brouwerij, van de slaapzalen etc. Terwijl hij 12 sleutels had en ging begrijpen dat men er achter ging komen, heeft hij ze in de toiletten geworpen. Ook is hij herhaaldelijk uit het ‘gesticht’ weggelopen naar Herzogenrath om daar chocolade te gaan kopen.

 




Maar de meest spectaculaire schavuitenstreek is wel dat hij op de terugtocht van de wandeltocht naar de kapel van Schaesberg, te midden van de jongens voor en achter hem zijn kleine behoefte heeft gedaan in een hoed. De leerlingen liepen in rijen van vijf zodat er minstens tien leerlingen geconfronteerd werden met deze schaamteloze handelwijze. Een drietal leerlingen hebben hun beklag gedaan bij de directeur; het gevolg was dat Karel kon vertrekken. Het gebeuren was voor de directeur Everts figuurlijk de druppel die de toch al volle emmer deed overlopen.



Lodewijk van Deyssel en het Rolducse notensysteem.

lvandeyssl.pdf (882.07KB)
lvandeyssl.pdf (882.07KB)



De huidige brasserie was in de tijd van van Deyssel de grote eetzaal; ze was iets langer dan nu. Zie het gedenkboek 1843-1943 pagina 106 en 113;  de afbeeldingen. De grote eetzaal zoals de meesten van ons kennen ontstond in 1877. Voor meer over het Rolducse notensysteem zie bij tabje ..kritisch..Hierna drie foto's van de ombouw van de vroegere eetzaal van klein Rolduc tot brasserie; links ziet u de oude deur , ze is er nog achter het gordijn en in de muur ziet u een vroeger dichtgemetselde doorgang waar nu de ingang is. De persoon op de foto beneden is de vroegere hotelmanager Ben Velge waarmee ik goede contacten had.