Lodewijk van Deyssel

Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm was op Rolduc van 2 oktober 1875 tot Pasen 1878, 21  en 22 april. Na Pasen mocht hij niet meer terugkomen.

Pothast noteert  in zijn annalesAprès Pâques, quittera involontairement Alberdingk, Charles, de Amsterdam,..qui une dizaine d'années après, fera une si triste figure dans notre littérature, et se mettra en dessus , ou plutôt, en dessous de toute moralité. Il éditera une grande brochure ou il décrira son séjour à  Rolduc, sa turpitude de la 1're nuit, son irréligiosité, le portrait de ses maîtres, etc..L'ignoble ouvrage restera ignoré et sans critiques...

Het gaat hier natuurlijk om het boek De Kleine Republiek dat van Deyssel  publiceerde in oktober 1888.  Karel is geboren op 22 september 1864 te Amsterdam; hij overlijdt op 26 januari 1952. Het boek verschijnt zo'n 10 jaar  na zijn verblijf op Rolduc, hij is dan ongeveer 24 jaar.


Vier uitgaven van het boek


Eerste druk uit 1888 was in 1951 van Jos Stassen, nu in mijn bezit.

Tweede druk

Hertaling door Harry Prick

Hertaling door Harry Prick 1989

Lodewijk van Deyssel 18 jaar






De foto met de jongeman op de hertaling van Prick staat symbool voor de liefde van een dertienjarige jongen [de schrijver] voor een andere jongen, kan gebeuren natuurlijk; de tekening belicht enkel dat aspect, maar er is gelukkig veel meer te vinden in het boek wat ons een inkijk gunt in de kostschool uit die tijd. Terecht is een andere foto gebruikt in 1989; de foto met de jongeman laat wel duidelijk zien waarom er zoveel ophef is gemaakt over dat boek destijds. Mocht u willen weten op welke jongen Karel verliefd werd, zie dan bij het tabje Gussenhoven.

 -De slaapzaal van de doode jongens- De Bisschopszaal-

Hier wil ik ingaan op het  gedeelte van het boek waar Willem [Karel] op de ziekenzaal of  infirmerie ligt. Er trof mij een zin in dat gedeelte en dat is ook de reden waarom ik het beter analyseer: Lodewijk schrijft op pagina 209-210 dat er een slaapzaal van de doode jongens bestaat; ik vind dat een schitterende aanwijzing, want naar mijn volle overtuiging verwijst zij naar de bisschopszaal. Voor de goede orde, er zijn nog geen verslagen gevonden bijvoorbeeld bij Pothast, die ondersteunen dat overleden jongens opgebaard werden in de bisschopszaal; zeker is dat het gebeurde maar waar is nog onbekend. De bisschopszaal komt er zeker voor in aanmerking.

Het beeld: overlijden op infirmerie; jongen opgebaard op de bisschopszaal; de familie, directeur en enige leraren er omheen; de kist voor gotische altaar op het koor; de kerk versierd; de avondwake met alle leraren en leerlingen; de ochtend erna de hoogmis; het bewieroken van de kist met daarin het lichaam waarin de jongen woonde; de kist de kerk uit dragen; het orgel speelt; in processie over het voorplein; door de hoofdingang naar binnen; het carre over; naar het bordes; de kist schuin de trappen van het bordes af; de cour over via de ijzeren weg naar het kerkhof nog eens trappen af; een toespraak door de directeur.....daarna samenzijn directeur, familie en leraren op de Treize [de lerarenkamer].  

-de doode jongens-

een onbekende besmettelijke ziekte, roodvonk en tyfus


Over welke doode jongens gaat het: Johan van Weede overlijdt op 15 juli 1870 te Aken, hij wordt als eerste begraven op Rolduc op het nieuwe kerkhof;  in november 1870 en december 1870 overlijden op Rolduc de leerlingen Henri Schrakamp, Hubert Cals en Gautier Schermer aan roodvonk; in het schooljaar 72-73 overlijden twee jongens: Antoine Reuther en Alphonse Janssen op 29 oktober en 4 november 1872. Allemaal zijn ze op het kerkhof van Rolduc begraven. Joseph Cuypers heeft de begrafenis van de laatste twee meegemaakt. Karel komt op Rolduc oktober 1875 en heeft geen begrafenissen meegemaakt maar hij heeft zeker van Johan van Weede gehoord; elk jaar was er een mis voor Johan en het kapelletje op het kerkhof zal hem zeker niet ontgaan zijn. Joseph Cuypers heeft na de twee voornoemde ook geen begrafenissen van jongens op Rolduc meegemaakt, hij was op Rolduc tot augustus 1879. Hiermee zijn enige doode jongens bepaald. Hun grafmonumenten zijn nog op het kerkhof.


Zoals u leest zijn er eind 1870 drie leerlingen overleden aan roodvonk; dat een kostschool zoals Rolduc zeker niet ongevaarlijk is bij het optreden van besmettelijke ziektes laat het volgende ook zien; er heerst in december 1838 en januari 1839 een besmettelijke ziekte op het Luikse Rolduc, bisschop van Bommel blijft veilig in Luik en hoopt dat de ziekte snel overgaat zoals uit zijn brieven uit die tijd blijkt; er zijn zeker vier leerlingen bekend die toen op Rolduc stierven; ze zijn niet begraven op Rolduc maar ze verbleven  op de infirmerie en zijn zeker opgebaard op Rolduc. Het betreft de leerlingen Arnold Schaeken, Jacob Geraets, Leon Bartholomeus en Pieter van Kempen; 19, 18, 16 en 18 jaar jong. Hier hun overlijdensaktes te Kerkrade. Frans Lausberg is brouwer van Rolduc en doet in drie gevallen aangifte. Welke ziekte toen heerste weet ik niet, maar duidelijk is dat het beter is als je ze niet krijgt.







Pothast vermeldt in zijn annales dat op 23 december 1850 Louis Leurs uit Roermond overlijdt aan de gevolgen van tyfus. Hij was op Rolduc sinds oktober 1845 als dertien jarige. Om beurten wordt hij verzorgd door de leraren en in het bijzonder door Gerard Slits in wiens armen hij overlijdt. De vader van de jongen die arts is, is ook aanwezig tijdens de ziekte. De jongen is begraven in Kerkrade, hij was 18 jaar. De akte zal zeker te vinden zijn en wellicht van nog meer overleden leerlingen in die tijd; Pothast vraagt zich terecht af of het wel zo verstandig is dat de leraren de jongen om beurten verzorgen. Ongetwijfeld zijn er nog meer drama's te vinden; we laten het even hierbij.


Hoofdstuk XII uit De Kleine Republiek -het verblijf in de ziekenzaal-

We gaan het gedeelte waarin Willem op de infirmerie ligt en waar hij de gedachte van de slaapzaal van de doode jongens opschrijft nader bekijken, zie de pdf hierbij; we doen het topografisch en chronologisch. Om de plaatsen precies te kunnen volgen heb ik een unieke zeer oude foto toegevoegd en twee kaarten die u aantreft in het gedenkboek 1843-1943. Voor de goede orde; het zijn mijn overtuigingen maar u moet zelf maar een standpunt innemen na het lezen van het betreffende gedeelte uit het boek; het is best een spannende en leuke puzzel. De plattegronden zullen u zeker helpen maar ook opzadelen met allerlei vervolgvragen.


Verzoek: lees eerst het hoofdstuk XII uit het boek; hierbij treft u het hoofdstuk aan. U begrijpt dan beter waar het zich afspeelt.







Voor 1872

 1871 of 1872

1943



Eerst over bovenstaande foto uit 1871-1872 van de basse-cour geflankeerd door twee plattegronden uit het gedenkboek 1843-1943; op de foto uit 1871-1872 zijn, links van beneden naar boven, de brouwerij, de stallen en vervolgens  de paardenstallen en dat zijn allemaal stenen gebouwen uit de abdijtijd; recht voor je in de zon, daar zie je de infirmerie, daar waar de ramen allemaal open staan; preciezer, dat is de gang voor de infirmerie, de ziekenzaal; je ziet ook duidelijk het hoekje rechts in de hoek waar een knik in de gang is. Waarom is die foto zo bijzonder?

De door het zonlicht beschenen muur  bestaat niet meer, dat wil zeggen gedeeltes ervan zijn nu binnen het gebouw; als je in het tegenwoordige gebouw bij de bisschopszaal bent dan zie je daar een aantal ramen van deze muur op de binnengang; de ruimtes van de bisschopszaal zijn op de foto uit 1871-1872 op de bovenste rij;  rechts boven hangt een jongen uit het raam [Jos Cuypers?], dat is een slaapzaal en de ramen beneden die jongen zijn de ramen van de eetzaal uit die tijd, de huidige Kanunnik die nu vijf ramen groot is terwijl  de eetzaal destijds zeven ramen had.  Hiernaast een foto uit 1925 van de uitbreiding van de infirmerie die plaatsvond in 1845-1850; je herkent het gedeelte ook op de foto 1871-1872 helemaal links. Daar op de verdieping onder de drie ramen is de kamer waar Willem aan de slaapzaal van de doode jongens denk; de rode en groene kamer zijn daar [zie hierna]. U bent toch met me eens dat het niet prettig is om als elfjarige in dat blok alleen te zijn 's nachts met volle maan en harde wind; laat er nog wat vleermuizen rondvliegen en u hebt een mooie horror scene.

infirmerie.mp3 (570.73KB)
infirmerie.mp3 (570.73KB)

Als je hierboven op de plattegrond van voor 1872 kijkt helemaal linksboven in de hoek: het gedeelte links van de noorder-toren is de infirmerie. We markeren enige plekken daarop in kleur, dat is topografisch en chronologisch makkelijk om te verwijzen. Eigenlijk is het plaatje hierna met de topografie en chronologie het belangrijkste plaatje, het vat alles samen wat er in het hoofdstuk XII gebeurt. De chronologie is in de tekst van van Deyssel vrij makkelijk te volgen als je de topografie in de gaten hebt; de twee witte bolletjes markeren de tijd dat Karel Alberdingk niet op de infirmerie is.



Hierna vier  nuttige foto's uit het jaarboek van 1925 bij de afbraak, die ons een zeldzame blik gunnen op  de oude noordgevel en een groot gedeelte van de basse-cour. De met rood en groen aangeduide kamers van de infirmerie bevinden zich zoals al gezegd op foto no1 precies onder de drie grote ramen; let ook op de ramen van die foto in de muur die noordwaarts is, daar zijn de twee ramen waar Lodewijk over schrijft. De verhoging van de brouwerij op de basse-cour  op foto No 1,2 en 3 is van na mei 1878, dus is niet relevant voor ons verhaal. Op foto No 3 ziet je dat alles afgebroken is tot aan de zijmuur van de Moretti vleugel; de gasfabriek is in de verte nog zichtbaar. Foto no 4 geeft een mooi zicht op de paardenstallen met de twee grote deuren, de varkensstallen en de na 1877 verhoogde brouwerij.


No1

 No 2

No 3

No 4




Let bij de plattegrond op het rode kamertje met de twee ramen naar het bosquet helemaal links; dat is het kamertje waar Willem aan de slaapzaal der doode jongens denkt; in blauw gemarkeerd is de ziekenzaal; in geel gemarkeerd is de kamer waar Willem met Van Miersen slaapt en sigaren rookt. De in zwart gemarkeerde kamer is de eerste kamer waar Willem  komt te liggen.

Op het zwarte kamertje  heeft Willem op enig moment last van de geluiden van de spelende jongens op de grote speelplaats en krijgt er hoofdpijn van; welnu men verplaatst hem naar het rode kamertje met de twee ramen naar het bosquet, daar hoort hij zeker niets van de speelplaats. Ik meen te zien dat de rode en groene kamer gescheiden worden door een wand met in het midden een kachel die tegelijk beide kamers verwarmt. Kijk nogmaals op de foto uit 1871-1872 naar het gebouw helemaal links, dan zie je drie schoorstenen; er zijn dus rookkanalen. Ook op foto no 1 is de schoorsteen zichtbaar. Ik denk dat dat gebouw links een vroege uitbreiding is geweest van de infirmerie, twee ziekenkamertjes is echt veel te weinig voor het grote aantal van circa 300 leerlingen. Je ziet bij de rode kamer ook een trap; in combinatie met de tekening van de eerste verdieping  hierna besluit ik dat dat een bordestrap is; de trap gaat van de infirmerie naar de bovenverdieping, na het plateau draait hij 90 graden naar rechts. Daar onder dat plateau is de wc zoals Lodewijk van Deyssel beschrijft, tegenover de deur van de rode kamer. Het gegeven dat die kamer van hout is heeft mijns inziens meer te maken met een provisorische goedkope houten afwerking van dat gedeelte van de infirmerie; direct na 1843 was het zeer armoedig op Rolduc. Lees zeker het verhaal over directeur Peters in het jaarboek van 1928; u zult daar naast de armoede ook lezen dat de vader van Peters ook priester was. Dat rode kamertje en het groene kamertje  liggen buiten de Moretti-vleugel en zijn gebouwd na 1843, neem dat even van me aan. Het groene kamertje bestaat nog steeds, kijk maar op de plattegrond van 1943. Het is wel nieuw opgetrokken, zie foto No 3 van de afbraak uit het Rolducs jaarboek 1925 boven waar te zien is dat de muur van de Moretti vleugel bij de afbraak bloot ligt.

Van andere plattegronden is bekend dat de blauwe ziekenzaal inderdaad rechts een rookkanaal heeft en dat strookt met de tekst waar Lodewijk schrijft over een kachel in de infirmerie- zaal. Kijk hiervoor ook naar de twee schoorstenen op de foto uit 1871-1872; als u die rookkanalen loodrecht doordenkt naar beneden dan komt u precies uit op de eerste verdieping bij de haard in de bisschopszaal en op de benedenverdieping in de rechterkant van de ziekenzaal. Kijk  op de plattegrond 1943 hoe de vier/vijf  ramen binnen in de gang rechts tegenover de huidige groep wc's op het seminarie, verdeeld zijn. Als je het kaartje 1943 bekijkt dan zult u ook kunnen zien dat de muur met zijn vier ramen beneden op de foto uit 1871-1872, nog steeds bestaat maar dan als binnenmuur.

De rode kamer waar Willem aan de slaapzaal van de doode jongens dacht, bestaat niet meer maar is te positioneren achter de grote lift in het huidige seminariegebouw waar de trap naar beneden loopt.


Plattegrond bovenverdieping na 1877 en de slaapzaal van de doode jongens.

Hierna een plattegrond van na 1877 van het relevante gedeelte de eerste verdieping; je kunt precies aangeven waar de jongen die uit het raam hangt op de foto zich bevindt, in een chambrette dichtbij de bel op de slaapzaal boven de eetzaal van Willem [de vergrote Kanunnik]. Waarom is dit kaartje nu belangrijk: je kunt er zien wat er boven de rode kamer was: de vierkante ruimte beneden tussen de twee daken. Dat dit gedeelte heeft behoord tot de infirmerie kunt u ook lezen in het jaarboek van 1926 en 1927 waar kort over de afbraak gesproken wordt van de gebouwen op de basse-cour.  De scheidingswanden binnen lijken me geen muren. Je ziet ook de bordestrap naar beneden die uitkomt bij de rode kamer van Willem. Je ziet tevens  de bisschopszaal. Welnu, in die ruimte precies boven het rode kamertje van Willem kan ik geen ruimte aanduiden die kan gelden als -slaapzaal voor de doode jongens-; ik denk ook dat de kamertjes daarvoor niet representatief waren om een jongen opgebaard aan de ouders te tonen. In het woord -slaapzaal- zit opgesloten -opgebaard liggen-. Willem denkt blijkbaar niet aan -kist-; om een lichaam in een kist  te bewaren zijn er betere ruimtes zoal de kerk; de kist van directeur Peters bijvoorbeeld is in november 1855  bewaard in de -caveau- van de crypte, als u nu de crypte ingaat via de dalende trap tussen de twee opgaande trappen naar het koor dan loopt je precies door die -caveau- heen; men heeft ooit gedacht dat Ailbertus daar begraven is geweest. Merk ook op dat je hier kunt zien dat de verhoging van de brouwerij moet stammen na mei 1877 .


Zichtbaar -de slaapzaal der doode jongens- op de tekening de bisschopszaal. 



La presse autographique

Een aardige vermelding vinden we in de annales van Pothast bij het jaar 1851; men had in die tijd al een soort drukpers; uit de tekst ervan wordt duidelijk dat die stond in het rode en groene kamertje en de gang ervoor. Pothast geeft ook enkele van de werken die er gedrukt zijn, o.a. de Deutsche Messe. Hij noemt de drukkers; Gerard Slits is nog leerling  op Rolduc. Naderhand heeft  deze pers waarschijnlijk gestaan in de fotokamer dichtbij de watertoren?





De huidige Bisschopszaal



Hierna enkele vroegere foto's van de bisschopszaal en het gangetje, let op de doorkijk naar de gang [ook hierboven], daar is een raam van de oude gevel. De beeldjes in de gang zijn nu op de betonbibliotheek. De oude foto's zijn van de periode 1900-1924. Steeds dezelfde mooie lamp en hetzelfde meubilair. Er staat een deur open en men ziet een binnenraam in het gangetje. Portretten hangen verschillend. Gaslampen, er zitten gaskraantjes aan. Op de lampen op de schouw zijn ook kraantjes te herkennen.  Er staat een beeld op een tafeltje, waarschijnlijk de toenmalige paus Benedictus XV. Mooie kachel, er is een soortgelijke nu nog in de grote benedenkamer in de watertoren. Op de foto links beneden herkent men direct rechts van Corten het nog bestaande schilderij van de zuid-oostvleugel uit  1831. Uiteraard de schilderijen van de directeuren en bisschoppen. Ook een klein schilderijtje van Maria Dolorosa rechts van Everts; dat hangt op de foto boven rechts van het drieluik op de bisschopszaal.  Met een kleuranalyse kan men ook wel de kleuren van alles bepalen want de kleuren van alle schilderijen zijn bekend. 








Het boek De Kleine Republiek is best een moeilijk toegankelijk boek en dat is niet zo zeer vanwege het Nederlands maar meer omdat de lezer toch veel van Rolduc uit die tijd moet weten; het boek is een grote puzzel met heel veel vragen die er te stellen zijn; de belangrijkste vragen zijn: Hoe zag Rolduc er in de beschouwde periode uitWelke personen zijn het die allemaal een rol spelen in De Kleine Republiek.Kunnen we de in het boek onderscheiden scenes dateren

Maar het boek is een grote puzzel en het kost heel wat uurtjes om het echt te doorgronden; maar het is wel leuk werk en men kan van dat boek veel leren over hoe Rolduc toen reilde en zeilde. Bij de pagina van deze website die over het gebouw gaat, tref  je meer verslagen aan van studenten uit vroeger tijden die hun herinneringen opschreven; ook de pagina over Joseph Cuypers draagt bij, Joseph was op Rolduc toen Karel er was maar veel langer, van oktober 1872 tot augustus 1879. Joseph komt uiteraard ook in het boek voor; Karel en Joseph zijn neefjes, de moeder van Joseph is een zus van de vader van Karel.





Het chambrette van Karel Alberdingk op Dortoir I: no 14.

Op pagina 14 en 15 van zijn boek schrijft van Deyssel dat zijn koffer voor zijn kamertje staat, dichtbij het eind van de eerste gang op nummer 14. Dortoir I was verdeeld over 3 gangen boven de noorderlijkw,westelijke en zelfs oostelijke kruisgang. Merk op: hij schrijft over een -ondiep-poep-bruin houten kastje zo hoog als de schotten, met zijn afklepbaar kort breed plankje als tafeltje aan het ene schot vast en elk met zijn smalle lage open ledikant....Hierna foto's van Dortoir I en Dortoir II met achterop de aantekeningen uit augustus 1971 van Jos Stassen van wie de foto's zijn.

Op de kleuren foto van Dortoir I van west naar oost, u kijkt in de richting naar de bel bij de trap, ziet u de houten kastjes in de muur die Lodewijk bedoelt; ook ziet u de afdruk van de schotten in het midden nog; omdat de ramen er nog zijn zou precies berekend kunnen worden welke maten de chambretten hadden. Ik heb op de plattegrond van Dortoir I en II van na 1877,  in rood aangegeven waar ik denk dat Karel sliep; het is in ieder geval in de buurt. Het is het 14-de chambrette vanuit het midden. Op de foto van het carre is het venster voor zijn chambrette  in rood aangegeven; het venster dicht bij de watertoren. Groen onderstreept is Dortoir I. Als u de situatie van het huidige Rolduc enigszins kent, is die plek nog zeer dicht te benaderen: waar het altaarspeelgoed van Johan van Weede is,  bent u er vlakbij.  Als de fotograaf van de kleurenfoto van Dortoir I hierna  zich naar links omdraait kijkt hij naar het chambrette van Karel. 












Hierna de tekst van De Kleine Republiek en een aantal documenten die je er zeker bij kunt betrekken. O.a. besprekingen van het boek door F. Sassen en L. Wijnen en het gedeelte van de annales van Pothast voor zover van belang voor het boek..


De tekst van de Kleine Republiek die overeenkomt met de eerste druk; u kunt er prima in zoeken en dat is erg nuttig.


De Annales van Pothast voor zover ze betrekking hebben op de periode dat Karel op Rolduc was; op de laatste pagina vindt u de niet mis te verstane mening van Pothast over Karel. U treft vaker misprijzingen aan over het boek in de Rolducse jaarboeken.


Het artikel van Ferdinand Sassen over de Kleine Republiek in het jaarboek van 1952 op pagina 107-123. Sassen overigens is de medeoprichter van het  jaarboek.


Het artikel van Wijnen over de Kleine Republiek in het jaarboek van 1958 pagina 46-68. Laat u niet misleiden door de foto die staat op pagina 49 van de eetzaal; dat is de huidige grote eetzaal naast de brasserie de Kanunnik; de eetzaal in de tijd van Karel was de Kanunnik zelf maar dan met 7 ramen in plaats van 5. U moet echt onthouden dat de vergrote Kanunnik de eetzaal is in  het boek De Kleine Republiek anders verdwaalt u hopeloos.  


Het artikel van Ferdinand Sassen over de toestand in 1920 die anders is dan die van de  Kleine Republiek; uit het jaarboek van 1965 op pagina 100-111.




In aansluiting op het thema van het laatste artikel enige tijdsbeelden 20 - 25 jaar later; van Parijs a.h.v oude foto's zelfs  rond de tijd dat van Deyssel op Rolduc was en zelfs eerder. Buiten Rolduc was er natuurlijk ook een wereld; Pothast was er via de kranten en het netwerk van priester over europa zeker van op de hoogte. Hij correspondeerde ook met veel  oud leerlingen. Als het filmpje met een indruk van Parijs omstreeks 1850 en later  niet goed start klik dan hier.







Wat Pothast in zijn dromen in petto had voor Lodewijk  van Deyssel



Tot hier over Lodewijk van Deyssel ;

hierna nog andere zaken




 

Onlangs las ik het boek "Engelen van deze tijd" van Twan Geurts. Deze heeft  een ontmoeting met de Leuvense theoloog Yves de Maeseneer en deze zegt dat de twee polen,  vrijheid en geborgenheid   zich verenigen in de engelen en dat is precies waar wij mensen naar op zoek zijn.  Wellicht voeg je er nog aan toe vertrouwen. Toen ik dat las werd mij  duidelijk waarmee ik op Rolduc problemen heb gehad; gelukkig ben ik daarin niet alleen. De vrijheid zal geen verdere uitleg behoeven. Als je als kind naar het internaat Rolduc komt dan is die geborgenheid uiterst belangrijk; als je daarin teleurgesteld wordt heeft dat allerlei vervelende gevolgen. Die teleurstelling heeft ook te maken met je verwachtingspatroon. Hoe de zusters [moeder] en priesters [vader] ook hun best doen om je een 'familiegevoel' te geven, er is een bovengrens aan dit pogen; men kan je moeder en je vader nooit vervangen, een bloedband is veel sterker.  Nietzsche [1844-1900], wiens zijn vader overleed toen hij vier jaar oud was en die op zoek was naar een vaderfiguur, schrijft iets soortgelijks over zijn ervaringen op de eliteschool te Pforta. Dit internaat kent een hele historie die veel verder teruggaat dan Rolduc; op dit moment is het een internaat voor hoogbegaafden.  Rolduc was dat zeker niet maar het werkt verhelderend om Rolduc en Pforta te contrasteren.

 spiritualiteit

Als je beneden op de foto van Johan van Weede klikt dan krijg je in pdf het bijzondere verhaal uit het Rolducse jaarboek over hem, hij was bijzonder en zeer religieus; de foto over het séminaire Rolduc is uit het boekje L'Éleve chrétien  dat vroeger elke jongen kreeg op Rolduc. Om bij engelen te blijven, twee van mijn fantastische kleinkinderen worden geflankeerd door twee engelbewaarders.

 








Het andere internaat waarmee ik ooit Rolduc ooit vergeleek in relatie tot spiritualiteit is een seminarie waar Friedrich Schleiermacher [1768-1834] op gezeten heeft, het Herrnhuter seminarie te Barby.  De Herrnhuter broederschap heeft een interessante geschiedenis; er aan gerelateerd is de welbekende Comenius. In Zeist is de broederschap  ook gevestigd en daar kan men de bekende Herrnhuter Stern bekomen.


Waarom het vergelijken: hoe zat het met de   spiritualiteit  op Rolduc en in het bijzonder, hoe werd je begeleid als je echt priester wilde worden? Denk eens aan een jongen zoals Johan van Weede. In een brochure voor de studenten van Groot Rolduc staat wat in de linkerfoto te zien is. Jos Stassen die al heel vroeg wist dat hij priester wilde worden, zegt in een radio interview dat zijn vader in Amby bij een priester die op Rolduc lesgaf te rade ging waar zijn zoon naartoe te sturen; deze adviseerde om hem naar het College te Sittard te sturen omdat dat gezien zijn belangstelling voor het priesterschap beter was. 

Op Rolduc was meer waardering was voor klassieke talen en letterkunde  dan voor de exacte wetenschappen. Er waren ook veel minder beta-studenten dan alpha-studenten; om dit te compenseren hierbij enige aandacht voor wiskunde. Ook aandacht voor Herrnhut en Schleiermacher die naast zijn betekenis voor de religie ook een rol speelt in de hermeneutiek. We bekijken ook nog enige natuurkundige en wiskundige prestaties van Pascal. Nog toegevoegd enige filmpjes over Comenius.  We beginnen  met een schoon vakgebied : wiskunde.





















































































Het  boek Jongens op Kostschool van Jos Perry is best nuttig om eens door te nemen; het vergelijkt verschillende katholiek kostscholen in Nederland; Rolduc komt er ook in voor.

In het besluit staan enige mooie zinnen zoals  " Zo'n kostschool is geen last die je de rest van je leven meedraagt. Je laat weg wat je niet meer wilt hebben en je houdt de dingen die je goed vindt" [die verzameling zal toch zeker niet leeg zijn] en "Speculeren over de invloed die het internaatsleven op je ontwikkeling heeft uitgeoefend, is per definitie niet alleen persoonlijk, maar ook hachelijk. Je weet niet hoe je zou zijn geworden als je die jaren gewoon thuis had doorgebracht"...en nog veel meer interessante zaken ter overdenking...voor meer zie het tabje ..Kritisch...